Maandelijks archief: juni 2016

nogmaals: ik zie wat ik zie

IMG-20160627-WA0001IMG-20160627-WA0003IMG-20160627-WA0005IMG-20160627-WA0007IMG-20160627-WA0009IMG-20160627-WA0011IMG-20160627-WA0013IMG-20160627-WA0015IMG-20160627-WA0017IMG-20160627-WA0019IMG-20160627-WA0021

Nogmaals ik zie wat ik zie

Nogmaals
ik zie wat ik zie.

nee dat is niet veel.
Elke dag vraag ik me af of het wel genoeg is
maar ook dat hoort bij het zien
vermoed ik.

Tastbaarheden als een huis
een vuilnisbak schoorstenen boom
bakfiets een boot een spinneweb

Letters op papier
en wat ik zie als ik mijn ogen dichtknijp
de vlammen die mij inslaan.

Meer dingen tussen hemel en aarde dan ik zie
zijn er niet
anders zou ik ze wel zien.

Kom nu jongen

niet zo simpel.

Remco Campert (1929-)  Uit: ‘Dichter’, 2015.

 

Advertenties

zondag

IMG-20160626-WA0001IMG-20160626-WA0003IMG-20160626-WA0005IMG-20160626-WA0007IMG-20160626-WA0009IMG-20160626-WA0011IMG-20160626-WA0013IMG-20160626-WA0015IMG-20160626-WA0017IMG-20160626-WA0019IMG-20160626-WA0021IMG-20160626-WA0023IMG-20160626-WA0025

Zondag

De stilte, nu de klokken doven,
Wordt hoorbaar over zondags land
En dorpse woningen, waarboven
Een schelpenkleurge hemel spant.

De jeugd keert weer voor d’ in gedachten
Verzonkene, die zich hervindt
Een warm, van onbestemd verwachten,
In zondagsstilte eenzelvig kind.

En tussen toen en nu: ’t verwarde
Bestaan, dat steeds zijn heil verdreef;
De scherpe dagen, waar de flarde
Van ’t wonde hart aan hangen bleef.

Niet te verzoenen is het leven.
Ten einde is dit wellicht nog ’t meest:
Te kunnen zeggen: het is even
Tussen twee stilten luid geweest.

Gedicht uit 1931. J.C. Bloem (1887-1966)

 —
Fijne zondag!  🙂

 

‘zomerliedtje’

IMG-20160625-WA0001IMG-20160625-WA0005IMG-20160625-WA0007IMG-20160625-WA0009IMG-20160625-WA0011IMG-20160625-WA0013IMG-20160625-WA0015IMG-20160625-WA0017IMG-20160625-WA0019IMG-20160625-WA0021IMG-20160625-WA0023

De maaier zingt

De maaier zingt een zomerliedtje

en snijdt, het staal in d’handen

alwaar hij ’t dikste kooren ziet,

en dweers deur ’t zonnebranden;

hij kapt, hij kerft, hij zwikt, hij zwaait,

al schuifelen in het ronde,

hij pakt, hij pikt, hij dringt, hij draait

het sperkelend graan ten gronde:

en ’s navonds late, als ’t westen gloeit,

hij heft zijn hoofd omhooge,

en ’t slagveld, maar dat zonder bloed,

verheugt zijn dankende ooge.

Uit: Kleengedichtjes. – 1859 – Guido Gezelle (1830-1899)

 

zomerdageraad

IMG-20160622-WA0001IMG-20160622-WA0047IMG-20160622-WA0045IMG-20160622-WA0043IMG-20160622-WA0041IMG-20160622-WA0039IMG-20160622-WA0037IMG-20160622-WA0035IMG-20160622-WA0033IMG-20160622-WA0031IMG-20160622-WA0029IMG-20160622-WA0025IMG-20160622-WA0023IMG-20160622-WA0021IMG-20160622-WA0019IMG-20160622-WA0017IMG-20160622-WA0015IMG-20160622-WA0013IMG-20160622-WA0011IMG-20160622-WA0009IMG-20160622-WA0007IMG-20160622-WA0005IMG-20160622-WA0003

Arthur Rimbaud (1854-1891) – J’ai embrassé l’aube d’été.

DAGERAAD

Ik heb de zomerdageraad omarmd.

Er bewoog nog niets aan het front van de paleizen. Het water lag doodstil. De schaduwen bleven op de bosweg gekampeerd. Door mijn voetstappen ontwaakten de heldere en milde briesjes, en de edelgesteenten keken toe, en de vleugels verhieven zich zonder geluid

De eerste hofmakerij volgde op het bospad, al gevuld met frisse en bleke schittering, toen een bloem me haar naam zei.

Ik lachte naar de blonde wasserfall die door de sparren heen haar haren losgooide: aan de zilveren kruin herkende ik de godin.

Toen lichtte ik één voor één haar sluiers op. In de laan, met armgezwaai. Op de vlakte, waar ik haar aan de haan verried. In de stad vluchtte zij, tussen de klokketorens en de koepeldaken, en rennend als een bedelaar op de marmeren kaden, zat ik haar achterna.

Boven aan de weg, bij een laurierbos, omvatte ik haar met de vergaarde sluiers, en ik voelde iets van haar immense lichaam. De dageraad en het kind vielen aan de voet van het bos.

Bij het ontwaken was het middag.

Deze Nederlandse vertaling is van Hilde Keteleer en is te vinden in ‘Arthur Rimbaud, Ik heb de dageraad omarmd, Amsterdam, Bert Bakker, 1999.

revérence

IMG-20160620-WA0031IMG-20160620-WA0033IMG-20160620-WA0035IMG-20160620-WA0037IMG-20160620-WA0039IMG-20160620-WA0041IMG-20160620-WA0043IMG-20160620-WA0047IMG-20160620-WA0049

19:11 – Na de aanhoudende regen volgt een ‘revérence’ van het hoge gras.


De grote tuin

De grondwet van de aarde
is langs de kanten
van wegen en paden
nu al uit planten
en bloemen te raden:

waarom hier dit gras?
Omdat iemand zo pas
of ooit, zeg maar ooit
een eeuw geleden
langs is gereden
en zijn bakje as
had leeg gestrooid.

Waarom daar die planten?
Daar heeft een tante
op een deken gezeten
en bessen gegeten.

Hier was gehoest,
hier gebloed, daar geroest
voor onze aarde
de vrede verklaarde.

Waar vroeger de muren
van steden stonden,
verstomd zijn de monden,
verstomd hun culturen,
worden figuren
van bloemen gevonden.

Sierlijke vlagen
van wind en regen
zullen de wegen
als water vervagen,
maar eens zal dit kleed
van bloemen misschien
van verre gezien
die tekens vertonen
alsof wij nog wonen
op deze planeet.


uit: ‘Tweede Verschiet’, 2003.

Leo Vroman (1915-2014)

agenda: maaien! :)

IMG-20160617-WA0001IMG-20160617-WA0003IMG-20160617-WA0005IMG-20160617-WA0007IMG-20160617-WA0009IMG-20160617-WA0011IMG-20160617-WA0013IMG-20160617-WA0015IMG-20160617-WA0017IMG-20160617-WA0019IMG-20160617-WA0021IMG-20160617-WA0023

Dankzij alle regen groeien de pompoen plantjes goed en Landschapsweide is ondertussen toe aan het maaien. Zodra de regen wat voorbij is en de drogere, zonniger dagen weer terugkomen zal al het hoge gras gemaaid worden. Aangezien uw verslaggever het inmiddels enigszins in de rug heeft, zal het hoge weidegras professioneel worden gemaaid. De foto’s van de vernieuwde aanblik ná het maaien, volgen natuurlijk zo spoedig mogelijk 🙂

Mooie dag!